Basiskennis

Inhoud:

Mitose

Mitose

De erfelijke aanleg van een dier ligt vast in de zijn cellen, meer specifiek in de celkernen. Daarin ligt het zogenaamde DNA.

Levende cellen vermeerderen zich steeds. Dit gebeurt uiteraard bij dieren in de groei, maar ook later om dode cellen te vervangen. Vermeerdering van cellen gebeurt door middel van gewone celdeling. Daarbij wordt een cel in twee gelijke delen gesplitst. De chromosomen (die elk uit twee strengen bestaan) splitsen zich dan. Eén streng komt in de ene cel en de andere streng in de andere cel. De strengen vermenigvuldigen zich vervolgens, zodat ze weer een heel chromosoom vormen. Deze celdeling, waarbij uit één cel twee identieke cellen ontstaan, wordt ook wel mitose genoemd.

Top

Meiose

Bij de voorplanting krijgt een individu zowel van de vader als van de moeder genetisch materiaal. Om geen verdubbeling van het aantal chromosomen te krijgen, wordt het aantal chromosomen in de geslachtscellen eerst gehalveerd. Deze reductiedeling noemen we ook wel meiose. In de figuur wordt uitgelegd hoe dit verloopt.

Wat is het verschil met de bovengenoemde mitose?

Top

Crossing over

Sommige erfelijke eigenschappen hebben ogenschijnlijk niets met elkaar te maken, maar lijken toch gezamenlijk over te erven naar het nageslacht. Een voorbeeld hievan is doofheid, die gekoppeld lijkt te zijn met de vachtkleur wit. Ook de vachtkleur blue merle en het fenomeen glasoog erft vaak tezamen over.
Deze ogenschijnlijke verbondenheid van twee kenmerken heeft te maken met het feit dat ze op hetzelde chromosoom liggen. Bij de mitotische en meiotische deling en daarmee de vorming van ei- en zaadzellen worden chromosomen weliswaaar verdeeld over de geslachtscellen, maar elke streng van een chromosoom blijft normaal gesproken intact. Als beide kenmerken zich op dezelfde streng van een chromosoom bevinden, is de kans dus erg groot dat ze beiden in dezelfde zaadcel of eicel terecht komen en dus gezamenlijk overerven.

Bovenstaande zou betekenen dat kenmerken op hetzelfde chromosoom dus altijd tezamen naar dezelfde geslachtscel gaan en dus altijd gezamenlijk overerven. Hoewel dit wel vaak het geval is, blijkt het echter lang niet altijd te gebeuren. De oorzaak moet gezocht worden in het fenomeen "crossing over".
Crossing over treedt op in het tweede deel van de meiose (de onderste rij plaatjes van het figuur "Meiose"). Voordat de strengen van de chromosomen zich splitsen, komen ze enigszins over elkaar te liggen. Daarbij wisselen ze stukken van het chromosoom uit. In het figuur hiernaast staat schematisch aangegeven wat er dan gebeurt. Door deze uitwisseling komen dus stukjes van het ene chromosoom terecht op het andere chromosoom. Hierdoor zullen eigenschappen, die oorspronkelijk op hetzelde chromosoom zaten op verschillende chromosomen terecht komen. Als hierna de reductiedeling plaatsvindt, zullen deze eigenschappen niet meer bij elkaar in één cel terecht komen en dus niet gezamenlijk overerven.

De kans dat erfelijke eigenschappen door crossing-over van elkaar gescheiden worden is niet voor elke eigenschap even groot. Het hangt simpelweg af van de afstand die twee eigenschappen van elkaar verwijderd zijn op een chromosoom. Hoe meer ruimte er tussen twee eigenschappen zit, hoe groter de kans dat daartussen de "breuk" van crossing-over terecht komt. Zitten twee eigenschappen eer dicht bij elkaar op een chromosoom, dan is de kans op crossing-over erg klein. Dit is het geval bij ogenschijnlijk gekoppelde eigenschappen, zoals blue merle vachtkleur: komt deze in tweevoud voor, dan hebben de pups een witte vachtkleur, maar zijn teens niet levensvatbaar.

Top

Mutaties

Genen veranderen regelmatig spontaan en vormen zo nieuwe eigenschappen. Meestal gebeurt dit in een lichaamscel. Deze heeft slechts een beperkte taak, zodat de kans erg gering is dat de mutatie precies op die taak betrekking heeft. Verder zal de lichaamscel, afgezien van een regelmatige vervanging, zich niet verder vermenigvuldigen en is de kans dat de mutatie zich verder verspreid erg gering.
Alleen als de mutatie plaatsvinden in chromosomen, die in de geslachtscellen terecht komen, dan zal deze volledig overgenomen worden door het nageslacht. Bij een mutatie kunnen spontaan nieuwe eigenschappen ontstaan, die bij beide ouderdieren niet aanwezig zijn, maar die wel aan het nageslacht doorgegeven worden. Bij katten is een bekende mutatie een krullende vacht. Bij honden is kortbenigheid ooit door een mutatie ontstaan.

Door mutaties zijn diverse kenmerken ontstaan, waar mensen op verdergefokt hebben. kortbenigheid bleek bijvoorbeeld een voordeel te hebben bij rassen die voor de jacht in konijnen- en vossenholen gebruikt werd. Deze mutatie is door mensen dus door gerichte fokkerij tot een raskenmerk gemaakt.
Mutaties kunnen ook slechte eigenschappen tot gevolg hebben. Hoewel niemand rechtstreeks op slechte eigenschappen zal doorfokken, bestaat toch de kans dat een ongewenste mutatie doorgefokt wordt. Dit kan het geval ijn als deze mutatie een bijkomend aspect heeft dat gewaardeerd wordt. Een voorbeeld is staartloosheid bij bepaalde kattenrassen. Dit is een mutatie waarop gericht verder gefokt is. Het blijkt echter dat deze staartloosheid vaak gekoppeld is aan een knik in de ruggengraat, waardoor problemen in de achterhand kunnen ontstaan. Bij honden is blue merle een gewaardeerde kleur. In homozygote vorm blijkt dit echter een pup op te leveren, die niet levensvatbaar is. Hoewel het op het eerste gezicht om een onschuldige vachtkleur gaat en er daarom gericht gefokt wordt met dit gen, heeft het wel degelijk een negatieve kant.

Top

Laatst gewijzigd op:

Deze pagina is onderdeel van de Hondenvraagbaak