Erfelijke gebreken

Deze pagina bevat de theorie achter de vererving van erfelijke gebreken. De gebreken zelf worden (deels) beschreven in de rubriek gezondheid.

Inhoud:

Algemeen

Erfelijke gebreken of erfelijke afwijkingen zijn aandoeningen die niet (of niet alleen) door de omgeving veroorzaakt worden, maar door genetisch vastgelegde aanleg. De aandoening ligt dus vast in de genen en die kunnen door het dier doorgegeven worden aan zijn of haar nakomelingen. Die kunnen vervolgens deze aandoening ook hebben, maar dat hoeft niet. Dat ligt aan de wijze waarop de aandoening erfelijk is vastgelegd.

Er zijn een aantal mogelijke verervingen. Zoals eerder aangegeven worden kenmerken bijna altijd via chromosoom-paren doorgegeven. Elk kenmerk wordt dus via twee genen aan het nageslacht doorgegeven. Deze genen kunnen gelijk zijn, maar ook verschillend. Daarnaast zijn er de geslachtschromosomen, die weliswaar een paar vormen, maar waarvan het Y-chromosoom leeg is. Dit is bij zoogdieren het mannelijke chromosoom. Bij genen die op de geslachtschromosomen liggen worden dus alleen de kenmerken van het vrouwelijke dier doorgegeven. Hieronder wordt verder uitgelegd hoe de vererving verloopt bij verschillende opties.

Top

Enkelvoudig dominant autosomaal

Enkelvoudig betekent dat de aandoening door slechts één gen (genenpaar) wordt bepaald.
Autosomaal betekent dat het kenmerk niet op de geslachtschromosomen ligt en dus zowel door de vader als door de moeder kan worden doorgegeven.
Dominant betekent dat de aandoening altijd optreedt als een dier de aanleg op een of beide genen heeft. Het dier kan dan homozygoot of heterozygoot zijn voor de aandoening :

Homozygoot:

Heterozygoot:

Top

Enkelvoudig dominant geslachtsgebonden

Enkelvoudig betekent dat de aandoening door slechts één gen (genenpaar) wordt bepaald.
Geslachtsgebonden betekent dat het kenmerk op de geslachtschromosomen ligt en dus door het gen van de moeder wordt doorgegeven.
Dominant betekent dat de aandoening altijd optreedt als een dier de aanleg op een of beide genen heeft. Vrouwelijke dieren kunnen dan homozygoot of heterozygoot zijn voor de aandoening, maar omdat mannelijke dieren de aanleg alleen op het X-chromosoom hebben, hebben ze de aanleg enkelvoudig wel of niet :

Homozygoot bij vrouwelijke dieren:

Heterozygoot bij vrouwelijke dieren:

Mannelijke dieren:

Top

Enkelvoudig recessief autosomaal

Enkelvoudig betekent dat de aandoening door slechts één gen (genenpaar) wordt bepaald.
Autosomaal betekent dat het kenmerk niet op de geslachtschromosomen ligt en dus zowel door de vader als door de moeder kan worden doorgegeven.
Recessief betekent dat de aandoening alleen optreedt als een dier homozygoot is voor de aanleg. Als het dier immers heterozygoot is, dus zowel een 'gezond' (dominant) als een 'ziek' (recessief) gen heeft voor de aandoening, dan zal het dier wel drager zijn, maar geen lijder. De volgende situaties zijn mogelijk :

homozygoot recessief:

heterozygoot:

Top

Enkelvoudig recessief geslachtsgebonden

Enkelvoudig betekent dat de aandoening door slechts één gen (genenpaar) wordt bepaald.
Geslachtsgebonden betekent dat het kenmerk op de geslachtschromosomen ligt en dus door het gen van de moeder wordt doorgegeven.
Recessief betekent dat de aandoening alleen optreedt als een dier homozygoot is voor de aanleg. Als het dier immers heterozygoot is, dus zowel een 'gezond' (dominant) als een 'ziek' (recessief) gen heeft voor de aandoening, dan zal het dier wel drager zijn, maar geen lijder. Vrouwelijke dieren kunnen dan homozygoot (Lijder) of heterozygoot (drager) zijn voor de aandoening, maar omdat mannelijke dieren de aanleg alleen op het X-chromosoom hebben, hebben ze de aanleg enkelvoudig wel of niet en zijn dus gezond of lijder. De volgende situaties doen zich dan voor:

Homozygoot bij vrouwelijke dieren:

Heterozygoot bij vrouwelijke dieren:

Mannelijke dieren:

Top

Multifactorieel

Bij multifactoriële vererving spelen meerdere genen mee in een aandoening. Deze genen kunnen elkaar versterken of juist tegenwerken. Zo kan het zijn dat een dier bijvoorbeeld pas ziek is als een x-aantal genen 'verkeerd' is. Zijn er minder genen verkeerd, dan is het dier nog gezond, maar kan dus wel in meer of mindere mate een aanleg door-vererven aan het nageslacht.
Vaak zijn er een of enkele genen die bepalend zijn, met een of enkele zogenaamde modificerende genen, die de nuances aangeven. Het hoofd-gen (of de hoofdgenen) bepaalt bijvoorbeeld of een dier ziek is of gezond, maar de modificerende genen bepalen de gradatie van de ziekte.

Multifactoriële vererving is zeer moeilijk te achterhalen en dergelijke aandoeningen zijn dan doorgaans nauwelijks uit te bannen.

Top

Laatst gewijzigd op:

Deze pagina is onderdeel van de Hondenvraagbaak