Genen

Inhoud:

Chromosomen

Chromosomen

De erfelijke aanleg van een dier ligt vast in de zijn cellen, meer specifiek in de celkernen. Daarin ligt het zogenaamde DNA (Desoxy-ribose Nucleic Acid). Dit zijn zeer langgerekt moleculen, die slechts onder bepaalde omstandigheden met een electronenmicroscoop zichtbaar zijn te maken. Onder deze omstandigheden krullen ze op tot ze onder de microscoop zichtbaar worden als twee strengen, die op één punt aan elkaar vast zitten (zie foto). Deze noemen we Chromosomen. Behalve het geslachtsgebonden Chromosoom komen alle chromosomen in tweevoud voor. Elke soort heeft zijn eigen aantal chromosomen. Zo heeft de mens 24 paren chromosomen en de hond 39 paren.

Het geslachtsgebonden chromosoom komt bij vrouwelijke zoogdieren ook in tweevoud voor. Ze lijken onder de microscoop wat op een X en ze worden dan ook meestal als XX weergegeven. Bij mannelijke zoogdieren is de tweede X heel klein en onvolgroeid. Deze lijkt meer op een Y en daarom worden de geslachtsgebonden chromosomen van een mannelijk zoogdier vaak aangeduid met XY.
(overigens is het bij mannelijke en vrouwelijke vogels precies andersom)

Top

Genen

Op de chromosomen liggen de erfelijke factoren. Deze noemen we genen. Zo is er een gen voor oogkleur of vachtlengte. Elk gen heeft zijn vaste plek, zowel op een bepaald chromosoom als wel de locatie op dat chromosoom. Chromosomen bestaan als het ware uit hokjes, waarin elke gen een uniek hokje toegewezen gekregen heeft. Dit hokje noemen we Locus. De locus kan dus ergens in het midden van het chromosoom zijn, maar ook aan een van de uiteinden (op de tekening is het locus ergens halverwege een van de uiteinden getekend).
De chromosomen zijn steeds in duplo, waarbij dus ook de genen in duplo zijn. Eén van die genen is afkomstig van de moeder en één van de vader (op de tekening heeft één ouder roze doorgegeven en één ouder blauw).
Een gen kan variatie vertonen. Bijvoorbeeld: het gen voor oogkleur kan de variaties bruin, geel of blauw hebben. Deze varianten noemen we allelen (op de tekening zijn deze varianten rose, geel , groen, blauw en rood).

     Gen = erfelijke factor (b.v. vachtlengte)
     Locus = positie van het gen op een chromosoom
     Allel = variant voor een gen (b.v. kortharig, langharig)
Chromosoom

Zoals gezegd komen chromosomen in paren voor. Van elk chromosoom-paar heeft een individu het ene chromosoom, en daarmee de ene set genen, van de vader en het andere van de moeder geerft. Een uitzondering hierop vormen de geslachts-chromosomen X en Y. Het Y-chromosoom is namenlijk een " leeg" chromosoom, hetgeen wil zeggen dat er zich geen genen op bevinden. Dit betekent dat nakomelingen van de moeder een X-chromosoom erven en daarmee ook de genen die zich op dit chromosoom bevinden. Van de vader erft een dochter ook een X-chromosoom en daarmee de genen op dit chromosoom. Een zoon erft echter het Y-chromosoom, dat leeg is. Hierdoor heeft een zoon voor wat betreft de geslachts-chromosomen effectief alleen de genen van de moeder. Hebben deze ergens een defect, dan kan dit niet gecompenseerd worden door een gen van vander's kant.
Er zijn een aantal erfelijke gebreken bekend, die gekoppeld zijn aan de geslachts-chromosomen. Dit zijn bijvoorbeeld hemofilie en kleurenblindheid bij mensen. Deze afwijkingen komen vooral bij jongens/mannen voor. Bij meisjes/vrouwen kunnen deze afwijkingen alleen optreden, als ze een defect X-chromosoom van zowel hun vader als hun moeder meegekregen hebben. Vrouwen kunnen wel drager zijn, hetgeen betekent dat ze de ziekte wel aan hun nageslacht kunnen doorgeven, maar zelf niet ziek zijn.

Top

Homozygoot, heterozygoot

Chromosomen bevatten dus de erfelijke eigenschappen (genen) in een bepaalde variant (allel) op een bepaalde plek (locus). Alle chromosomen komen in paren voor en de genen zijn er dus ook altijd in tweevoud (met uitzondering van het Y-chromosoom, dat leeg is). Voor een bepaald kenmerk erft een nakomeling dus één allel van de vader en één van de moeder. Zoals ook in de figuur hierboven te zien is, zijn dit niet altijd dezelfde allelen. Zo kan een hond op beide chromosomen het allel voor kortharigheid hebben, maar hij kan ook op het ene chromosoom het allel voor kortharigheid hebben en op het andere chromosoom het allel voor langharigheid. In het eerste geval spreken we van homozygoot, in het tweede geval spreken we van heterozygoot.

Top

Dominant, recessief

In geval van heterozygotie is het de vraag welke van beide eigenschappen tot uiting komt. Het individu heeft in bovengenoemd voorbeeld immers zowel de aanleg (allel) voor lang haar als voor kort haar. Indien deze hond nu kort haar heeft, komt het allel voor kort haar dus naar voren ten koste van het allel voor langhaar. De aanleg voor korthaar is in dit voorbeeld dus dominant en de aanleg voor lang haar is recessief.

Dominante kenmerken komen in een individu tot uiting en je kunt er dus goed op selecteren. In het gegeven voorbeeld: alle honden met kort haar hebben tenminste één allel voor kort haar en kunnen die doorgeven aan hun nageslacht. Als je dus alle honden met kort haar uitsluit van de fokkerij en alleen met langhaige honden verder fokt, weet je zeker dat er geen kortharige honden geboren zullen worden.

Recessieve kenmerken komen niet altijd tot uiting. Alleen als het individu homozygoot recessief is, is het kenmerk zichtbaar. In het gegeven voorbeeld zijn alle honden met lang haar homozygoot voor dit kenmerk. Als je deze voor de fokkerij uitsluit en alleen met kortharige honden verder fokt, kun je nog steeds in een nestje langharige pups krijgen. In dat geval zijn beide ouders heterozygoot en hebben dus zowel een gen voor kort haar als voor lang haar. Omdat het gen voor kort haar dominant is, is niet zichtbaar dat deze honden ook een gen voor langhaar hebben. Deze honden zijn zoals dat heet "drager van het langhaar-gen". Hoewel het ze niet aan te zien is, kunnen ze het langhaar-gen wel doorgeven aan hun nageslacht. Een deel van de pups zal dit langhaar-gen krijgen. Krijgen ze van de andere ouder een korthaar-gen, dan zijn ook zij drager, zonder dat het ze aan te zien is. Slechts een klein deel van de pups zal het langhaar-gen van beide ouders krijgen en dus werkelijk lang haar hebben. Dit maakt dat recessieve genen heel moeilijk uit een populatie te fokken zijn en regelmatig toch weer de kop op kunnen steken.

Intermediaire kenmerken

In het geval van oogkleur kan het voorkomen dat een hond twee verschillend gekleurde ogen heeft. Dit is iets anders dan een intermediaire kenmerken. In elk oog komt immers exclusief één allel tot uiting en geen mengvorm.
Er bestaat ook nog een situatie waarbij beide kenmerken tot uiting komen, maar waarbij ze elkaar beinvloeden. Er is dan een soort tussenvorm zichtbaar. In het voorbeeld van de aanleg voor kort haar en de aanleg voor lang haar zou er dan een halflangharige tussenvariant ontstaan. Dit worden intermediaire kenmerken genoemd.

Top

Epistasie, hypostasie, Kryptomerie

We spreken van dominant of recessieve genen als het gaat om genen op hetzelfde locus (b.v. A en a). Dezelfde verschijnselen kunnen zich ook voordoen tussen genen op verschillende loci. We spreken dan van Epistasie of hypostasie.

Voorbeeld:
Het gen voor een gestroomde vacht (zoals bij de Holandse Herder) wordt onderdrukt door het gen voor zwart (zoals bij de Groenendaeler). Het Groenendaeler-zwart is dus epistatisch ten opzichte van gen voor gestroomde vacht. Dit gen is op zijn beurt hypostatisch ten opzichte van het Groenendaeler-zwart.

Terwijl bij epistasie en hypostasie een kenmerk niet tot uiting kan komen, doordat een ander kenmerk "dominant" is, kan bij kryptomerie een kenmerk niet tot uiting komen, door de afwezigheid van een ander dominant gen. Dat andere dominante gen is dus nodig voor de expressie van het ene gen.

Voorbeeld:
Rode Ierse Setter (BBee): B = zwarte haarkleur, maar alleen bij aanwezigheid van E. Doordat E afwezig is, wordt de vacht rood. De factor B is dus kryptomeer.
Ierse Waterspaniel (bbEE): b = leverkleur, kan tot uiting komen door de aanwezigheid van E.
Een kruising tussen beide rassen (BbEe): Werking van B (zwarte vacht) komt tot uiting door de aanwezigheid van E. Alle honden zijn zwart.
Kruisen we deze honden dan krijgen we:
   B.E. : zwart
   B.ee : rood
   bbE. : leverkeur
   bbee : rood

Top

Laatst gewijzigd op:

Deze pagina is onderdeel van de Hondenvraagbaak