Genotype en milieu

Erfelijke eigenschappen zijn eigenschappen die het dier die reeds voor de geboorte aanwezig zijn. Het betreft zaken als bijvoorbeeld oogkleur, hangende of staande oren, vachtkleur, soort beharing. Tot op zekere hoogte worden ook andere zaken via de erfelijke aanleg geregeld, bijvoorbeeld gedrag, gezondheid. Behalve dat deze zaken echter door de erfelijke aanleg bepaald worden, speelt ook de omgeving een rol. Bij een goede socialisatie zal een hond een totaal ander gedrag laten zien dan bij een slechte of geen socialisatie. Daarentegen zullen bij vergelijkbare omgevingssituaties wel typische familietrekjes zichtbaar zijn. Sommige zaken worden niet genetisch bepaald, maar zijn puur veroorzaakt door het milieu. Een gecoupeerde staart is niet genetisch, twee honden met gecoupeerde staarten krijgen gewoon nakomelingen met staarten.

We hebben dus te maken met zowel de erfelijke aanleg als de omgeving (milieu). We gebruiken daarvoor de volgende termen:

     Genotype = erfelijke aanleg
     Fenotype = genotype + milieu

Fenotype is dus het uiteindelijke resultaat, wat we zien. Dat is een mix is van genetische aanleg en milieu. Een hond kan aanleg hebben heel groot te worden, maar bij ontoereikende voeding zal hij nooit het formaat bereiken, waartoe hij genetisch in staat is. Een bekend voorbeeld is ook de aandoening HD. Deze wordt deels bepaald door het genotype, maar ook door het milieu. Veel ballengooien op jonge leeftijd, gladde vloeren, verkeerde voeding, alles kan ertoe leiden dat HD ontstaat. Uiteraard zal het eerder optreden bij honden die een genetische aanleg hebben om HD te ontwikkelen.

Een goede hond wordt dus gevormd uit zowel een goed genotype (erfelijke aanleg) als een goed milieu. In dit hoofdstuk zal het verder gaan over de genetische aanleg.

Top

Wanneer is een kenmerk erfelijk?

Wanneer spreken we van een erfelijk kenmerk? Strikt genomen gaat het dan om alle kenmerken die door de genen zijn vastgelegd. In de praktijk spreken we echter van een erfelijk kenmerk als er dit kenmerk aantoonbaar vaker dezelde uitingsvorm heeft bij verwante individuen, vergeleken niet verwante individuen. Anders gezegd: als een kenmerk, bijvoorbeeld blauwe ogen, vaker in een familie voorkomt dan in de rest van de populatie, dan gaan we ervan uit dat dit kenmerk erfelijk is. Op deze manier is bijvoorbeeld aangetoond, dat epilepsie in de Tervuerense Herdershonden en Groenendaelers erfelijk bepaald is.

Top

Laatst gewijzigd op:

Deze pagina is onderdeel van de Hondenvraagbaak