Kleurvererving

Inhoud:

Twee soorten pigment

Alle kleuren die we bij honden kunnen zien, komen tot stand door twee pigmenten:

Vervolgens zijn er vele genen, die de relatieve hoeveelheid pigment en de plaats van het pigment beÔnvloeden, zowel in de afzonderlijke haren als in de hele vacht.

Bij de hond zijn 11 chromosoomparen waarop genen liggen die de kleur en tekening van de vacht bepalen. Deze genen liggen allemaal op afzonderlijke chromosoomparen en vererven dus onafhankelijk van elkaar over.

Iedere hond heeft dus 11 genenparen die iets te maken hebben met de kleur en tekening van zijn vacht. Deze genen worden elk aangeduid met een letter van het alfabet: A, B, C, D, E, G, K, M, P, S, T en R.

De kleurvererving van de hond is nog steeds niet geheel duidelijk. Recent onderzoek heeft op een aantal punten vraagtekens opgeroepen ten aanzien van de eerder gehanteerde indeling. Met name de genen As (dominant zwart), Em (zwart masker) en Ebr (gestroomde kleur) bleken niet goed overeen te komen met de in de praktijk waargenomen vererving. Recent onderzoek heeft opgeleverd dat dominant zwart niet tot de A-locus behoort, maar dat dit gen samen met het Ebr-gen tot een apart locus behoort, het K-locus. Dit wordt ondersteund door kennis van kleurvererving in andere diersoorten, waarbij het A-locus steeds de mate van expressie van Phaeomelanine regelt. Dominant zwart laat juist het Eumelanine tot uiting komen en past dus niet in deze reeks. Deze nieuwe inzichten zijn in onderstaand overzicht verwerkt.

Top

De kleur-genen

Onderstaande informatie is verouderd en zal binnenkort ge-update worden

A-locus (agouti-reeks)

Dit bepaalt de verdeling van pigment over de individuele haren en over de gehele vacht. Op dit locus zijn verschillende allelen mogelijk (in volgorde van dominantie):
ay (yellow) dit onderdrukt het donkere pigment. Als dit volledig is, dan ontstaat een heldere sable of tan-kleur. Bij onvolledige onderdrukking kunnen de haarpunten nog donker zijn (charbonnťe). Voorbeeld: Tervuerense herder. ay is waarschijnlijk niet volledig dominant over at, waardoor ayay honden wat roder zullen zijn en de ayat honden wat donkerder zullen zijn.
aw (wild-color) ook wel aangeduid als ag (grey). Geeft de haren een wildkleur, ook wel agouti genoemd. Hierbij is de verdeling van pigment per haar in banden geconcentreerd, waardoor zijn de haren afwisselend donker (Eumelanine) en licht (Phaemelanine) gekleurd zijn. Voorbeeld: Elandhond.
as (saddle) zorgt voor een donker zadel, zoals bij de Airedale Terrier of de Duitse herdershond.
at (tan) veroorzaakt de typische black-and-tan tekening, zoals bij de Dobermann, Rottweiler en de Berner Sennenhond.
a Dit gen is een recessieve vorm van zwart, waarbij honden met het genotype aa helemaal geen licht pigment in de vacht hebben (tenzij ze het ee-genotype hebben, wat epistatisch is over aa). Het a-gen verklaart dat niet-zwarte honden toch zwarte nakomeling kunnen geven.

B-locus (black-brown-reeks)

Dit bepaalt de basiskleur van de hond. Deze basiskleur is te zien aan de neus van de hond.
B (black) zorgt ervoor dat alle delen met donker pigment zwart worden. De neus van de hond is zwart.
b (brown) zorgt ervoor dat alle delen met donker pigment bruin worden. De neus van de hond is bruin.

C-locus (color-reeks)

Dit bepaalt of er pigment kan worden gevormd en hoeveel. Het reguleert dus de kleureffecten van de andere loci en bepaalt of ze tot uiting komen of niet.
C (colored) laat de kleuren volledig tot uiting komen, dus een volledige pigmentatie.
cch (chinchilla) onderdrukt vooral het lichte pigment (roodgeel) tot zandkleur. Het heeft nauwelijks invloed op het donkere pigment, zodat een zwarte hond geen kleurverandering laat zien.
cd (dark eyed dilution) onderdrukt heel extreem alle pigment in de beharing, maar niet in de huid (neus) en ogen), zoals bij de West Highland White.
ce (extreme dilution) geeft een extreme onderdrukking van het pigment in de beharing, maar ook in de huid en ogen, waardoor deze roodachtig worden.
ca (albino) onderdrukt de pigmentvorming volledig, zowel in de vacht als in de huid en ogen, waardoor een wit dier met rode ogen ontstaat.

D-locus (dilution-reeks)

Dit bepaalt de ligging van pigmentkorrels in de haren. Hoe meer deze naar de kern van de haar liggen, hoe meer de kleur verdund lijkt.
D (intensely pigmented) geeft een normale verdeling van het pigment over de haren en laat alle kleurloci volledig tot uiting komen.
d (diluted) geeft een concentratie van de pigmentkorels in de kern van de haren, waardoor een verdunning van de kleur waarneembaar is. Zwart wordt dan blauw, zoals b.v. bij de Weimaraner. Roodbruin wordt dan zilver-reekleuring en geel wordt blauw-reekleuring.

E-locus (extension-reeks)

Dit regelt de uitgebreidheid van het donkere pigment. Het kan in delen die licht pigment hebben het donkere pigment toevoegen. Het kan het effect van het A-locus onderdrukken.
E Dit gen staat een evenredige verdeling van donker pigment over de hele vacht toe (werking lijkt dus op die van K en C).
e Dit gen verhindert de vorming van donker pigment, waardoor de kleur helder rood (b.v. Ierse Setter) of geel (goudkleurige Golden Retriever, oranje Keeshond) wordt.

Se-locus (super-extension-reeks)

Se (mask) Dit gen zorgt voor donkere pigmentering van lichaamsuiteinden, vooral op de snuit en oren (masker), zoals bij de Tervuerense en Mechelse herder. Het wordt ook wel aangeduidt met Ma. Voorheen werd het als Em onder de extension-reeks geschaard.
se De meeste honden zullen dit gen hebben en geen masker hebben.

G-locus (greying)

De genen op dit locus hebben alleen invloed op het donkere pigment.
G Dit gen zorgt voor verbleking van de kleur bij toenemende ouderdom. Waar honden met een d-gen licht geboren worden, worden honden met het G-gen donker geboren, maar verkleuren na enige tijd (b.v. Kerry Blue Terrier). Het G-gen is niet volkomen dominant over g: honden die GG hebben zullen lichter van kleur worden dan honden met genotype Gg.
g Dit gen zorgt voor een intensieve pigmentering. De meeste honden hebben dit gen.

K-locus (blacK)

Dit locus is een nieuwkomer en wordt alleen in de moderne boeken genoemd. Het bepaalt de dominante zwarte kleur, maar ook de gestroomde kleur wordt hier tegenwoordig onder geschaard (en dus niet meer onder het e-locus).
K Dit veroorzaakt een (dominant) zwarte kleur, zoals we dit bij de Groenendaeler kennen. Dit gen is epistatisch over de genen op het A-locus, wat wil zeggen dat dit gen alles wat op het A-locus ligt onderdrukt. Echter het K-gen kan niet tot uiting komen bij honden die het genotype ee hebben.
kbr Dit gen geeft een gestroomde kleur, zoals bij de Hollandse herder. In combinatie met K wordt de hond zwart en komt de gestroomde kleur dus niet tot uiting.
k Dit laat de normale kleur van de hond (zoals op het A-locus bepaald) tot uiting komen.

M-locus (Merle)

MM Deze combinatie geeft een witte vachtkleur. Doordat het M-gen een beschadiging geeft van de neurale lijst, is dit gen in homozygote vorm subletaal. Dat wil zeggen dat honden met dit gen wel levend geboren kunnen worden, maar doof en blind zijn en meestal misvormd en steriel. Doorgaans sterven ze snel.
Mm Bij deze honden treedt het kenmerkende Merle-patroon op, grijswitte vlekken in een gekleurde vacht. Dit kan blue-merle zijn (b.v. Collie), tijgerkleur (teckels) of sable-merle (Collies).
mm Deze honden hebben hun normale, door andere genen bepaalde vachtkleur.

P-locus (Pink-eyed dilution)

P Dit gen beinvloed de normale haarkleur niet.
p Dit gen geeft in homozygote toestand een zeldzame kleurvariatie, waarbij het zwarte pigment lichtblauw wordt en soms zelfs lilac genoemd wordt. De ogen krijgen een roze kleur. Deze kleur komt waarschijnlijk alleen bij Pekingezen voor. Het rode en gele pigment wordt niet beÔnvloed door dit gen.

S-locus (white Spotting)

Dit gen beÔnvloed de verdeling van ongepigmenteerde delen, dus witte vlekken.
S Dit gen veroorzaakt een volledig gekleurde vacht, zonder enige witte aftekening (eventueel zeer weinig wit op borst en/of aan de tenen)
si (Irish spotting) Dit gen zorgt voor witte aftekeningen op neusrug en wangen, voorhoofd, voeten, staartpunt, nek, keel, borst en buik.
sp (piebald spotting) Dit gen veroorzaakt een bont aftekening, variŽrend van bijna geen wit tot bijna helemaal wit.
sw (extreme white piebald) Dit gen staat bekend als extreem bont, maar geeft geheel witte honden. De ogen en neus hebben wel kleur. Soms kan er een plek zijn, waar wel kleur verschijnt, meestal bij een oor, rondom een oog of een stuk van de staart (b.v. Pyrenese Berghond, Bull TerriŽr, DalmatiŽr).

T-locus (Ticking)

T Dit gen kan kleine gekleurde vlekken zichtbaar maken op een witte achtergrond. Het kan dus alleen tot uiting komen op een witte achtergrond en is daarom sterk afhankelijk van de genen op het S-locus (b.v. DalmatiŽr, Pointer, SpaniŽls).
t Dit gen is de oorzaak dat geen vlekken in de witte huidgedeelten ontstaan.

Roan-factor

Deze factor is verantwoordelijk voor een melange van witte en gekleurde haren. Modificerende genen bepalen de mate waarin en of er vlekjes gevormd worden.

Top

Overzichts-tabel

Onderstaande informatie is verouderd en zal binnenkort ge-update worden

Loci Allelen Werking
A ay(ellow) aw(ild)(of ag) as(adle) at(an) a   regelt verdeling eumelanine (donker pigment) en phaeomelanine (licht pigment), zowel in haren als in vacht als geheel
Agouti onderdrukt zwarte pigment in haar bijna helemaal; vacht wordt tankleur; soms zwarte haarpunten agouti of wildkleur zadel blijft zwart tweekleurig
tan-patroon

recessief
zwart
 
B B b       alleen invloed op donker pigment
Black
(basis)
zwart met zwarte neuskleur lever met bruine neuskleur      
C C cch(inchilla) ce(xtreme dilution) cd cb(leek) ca zorgt voor vorming pigment
Chinchilla volle intensiteit kleur onderdrukt vooral lichte pigment vorming (vermindert rood-geel meer dan zwart) extreme verdunning, ook effect op huid; ongewenst Wit met zwarte neus en ogen bleekgrijs
bleek-
blauwe
ogen
albino
D D d       concentreert pigment rond haar-kern, waardoor kleur verdund lijkt
Dilution intensieve pigmentering verdunde vachtkleur      
E E e       regelt verspreiding (=extension) eumelanine
Extension evenredige verdeling donker pigment verhindert vorming donker pigment in haren (niet in ogen en huid)      
Se Se se       regelt de expressie van een donker masker
Super extension Donker masker Geen masker      
G G g       vergrijzing op jonge leeftijd
Grey verbleking kleur in loop 1e jaren intensieve pigmentering      
K K kbr k     Maakt hond zwart, gestroomd of laat kleur van A-locus tot uiting komen
blacK Dominant zwart Gestroomd toont normale kleur hond    
M M m       MM=sublethaal
Mm=merle
Merle merle-factor gewone vachtkleur      
P P p       eumelanine-korrels klonteren samen; bepalen ook oog-kleur;
geen effect op phaeomelanine
Pink eyed dilution geen invloed op pigmentatie zwart wordt bleekblauw ('lilac'); lever wordt lichtgeel of reekleurig      
S S si(rish spotting) sp(iebald spotting) sw(it)   beïnvloeden verdeling van gepigmenteerde en ongepigmenteerde (witte) delen
Spotting volledig gekleurde vacht, wit ontbreekt (eventueel zeer weinig wit op borst en/of aan de tenen) witte vlek op neus, voorhoofd, voeten, staartpunt, borst, keel, nek bont, meer wit dan bij si wit 'laken' over hond; soms komt oorspronkelijke kleur erdoor (bij oren, oog, staart)  
T T t       ticking= pigmentvlekken in witte vacht
Ticking wit met gekleurde vlekken geen vlekken op wit      

Top

Laatst gewijzigd op:

Deze pagina is onderdeel van de Hondenvraagbaak