Conditionering

Klassieke conditionering

Klassieke conditionering gaat uit van een signaal, dat aan een gebeurtenis gekoppeld wordt. Behalve het klassieke voorbeeld van de kwijlende hond als de bel geluid wordt (hond weet: bel = voer), kun je ook denken aan de koppeling van een woord (commando) aan een handeling van de hond. Als je steeds "zit" zegt vˇˇrdat je de hond laat zitten, dan gaat hij na enige tijd al zitten als hij het woord "zit" hoort.
Bij operante conditionering ontdekt de hond de dingen wat actiever. Hij ontdekt bijvoorbeeld dat als hij gaat zitten, hij een beloning krijgt. Je leert de hond via operante conditionering dus eerst dat zitten iets oplevert, daarna koppel je via klassieke conditionering een commando aan de handeling.

Klassieke conditionering geeft bij de hond meestal onwillekeurige, onvrijwillige reacties. Het heeft ook vaak met sterke emotie of overlevingskwesties te maken. Voer is een belangrijke voorwaarde om te overleven, hij kan het niet helpen dat hij gaat kwijlen. Voor een reu heeft ook een loopse teef met overleven te maken: hij kan het niet helpen dat hij hierdoor sterk aangetrokken wordt. Met sterke emotie kun je denken aan angst voor knallen, ook hier is de hond niet bewust bezig met zijn reacties, ze komen onwillekeurig.

Doordat klassieke conditionering meestal met deze primaire zaken te maken heeft, is zijn effect op de hond meestal sterker dan dat van operante conditionering. Dit betekent dus bijvoorbeeld, dat als een hond erg geschrokken is van een knal, zijn leervermogen (via operante conditionering) op dat moment laag is.

Top

Laatst gewijzigd op:

Deze pagina is onderdeel van de Hondenvraagbaak