Ziekte van Weil - Leptospirose

Leptospirose, ofwel ziekte van Weil, is een ziekte die door bacteriŽn veroorzaakt wordt. Wanneer het mooi weer wordt, neemt de kans op leptospirose toe. In Nederland is vooral in de maanden juni tot en met augustus extra alertheid geboden.

Ziekteverwekkers

Leptospirose, waaronder de ziekte van Weil, wordt veroorzaakt door bacteriesoorten die over de hele wereld voorkomen, de zogenaamde leptospiren. Van deze leptospiren bestaan verschillende varianten die verschillende ziektebeelden bij de hond kunnen veroorzaken. De ziekte van Weil is daarvan de beruchtste, maar ook andere verschijningsvormen van leptospirose zijn beschreven. Omdat besmette dieren ook mensen kunnen infecteren (dit heet zoŲnose) is een goede bescherming tegen leptospirose gewenst. Leptospirose wordt veroorzaakt door schroefvormige, beweeglijke bacteriŽn (leptospiren), die vooral door knaagdieren (muizen, ratten) en besmette honden in de omgeving verspreid worden. De leptospiren worden via de urine van geÔnfecteerde dieren uitgescheiden en besmetten daarmee de leefomgeving. Met name uitlaatplaatsen, grasvelden en stilstaand (zwem) water zijn beruchte besmettingshaarden. Bij temperaturen van 18įC of hoger kunnen zij tot wel zes weken in de grond overleven en in warm, stilstaand water wel drie maanden en langer. Vandaar ook dat veel besmettingen zich in de warme zomermaanden voordoen. Door direct of indirect contact met besmette urine of besmet (oppervlakte) water of modder kan de ziekte overgebracht worden. Van leptospiren bestaan veel verschillende varianten die verschillende ziektebeelden bij de hond kunnen veroorzaken. De ziekte van Weil is daarvan de beruchtste, maar ook andere verschijningsvormen van leptospirose zijn beschreven.

Top

Ziektebeeld

Een hond raakt besmet doordat leptospiren vanuit de leefomgeving via de slijmvliezen of wondjes het lichaam van de hond binnendringen. Elke hond kan besmet raken met leptospiren, zowel in de stad als op het platteland. Bijna elke hond eet immers wel eens gras of komt in contact met water of met plaatsen waar muizen of ratten geweest zijn. Vervolgens verspreiden de leptospiren zich via het bloed naar verschillende organen, waardoor ongeveer een week na besmetting de eerste algemene symptomen kunnen optreden, zoals verminderde eetlust, braken en koorts. Afhankelijk van het type leptospiren, kan de incubatietijd echter variŽren van 2 dagen tot 30 dagen. Bij geÔnfecteerde honden duurt de incubatieperiode gemiddeld 5 tot 14 dagen. Als de ziekte verergert, doen zich, afhankelijk van de betrokken organen, andere symptomen voor. De dieren zijn uitgeput, hebben soms geelzucht, trillende spieren of bloederige diarree door ernstige beschadiging van het maagdarmkanaal. Aantasting van de nieren leidt ertoe dat de dieren frequent moeten plassen en resulteert vaak in uitval van de nieren. Ook aantasting van de longen is mogelijk; in dat geval zien we dat de dieren gaan hoesten (mogelijk met bloed) en benauwd zijn. Bij niet-gevaccineerde dieren heeft een ernstige leptospirose-infectie meestal een dodelijke afloop. Het gevaar van leptospirose wordt nog altijd onderschat, omdat vooral lichte besmettingen moeilijk worden herkend en daardoor de diagnose in de praktijk soms niet of pas heel laat wordt gesteld. Orgaanbeschadiging en daarmee gepaard gaande ernstige symptomen zijn dan vaak al opgetreden.

Terwijl de afgelopen twintig jaar vooral 2 leptospirosesoorten (Canicola en Icterohaemorrhagiae) voor besmetting van honden in Europa verantwoordelijk waren, worden steeds vaker ook andere varianten in West-Europa aangetroffen (Australis en Grippotyphosa).

Deze verandering gaat gepaard met een veranderd ziektebeeld. Zo zien we sinds het begin van deze eeuw steeds vaker dat tijdens het verloop van de ziekte de longen worden aangetast.

Ziektebeeld bij de mens

De verschijnselen bij mensen zijn vaak weinig specifiek, waardoor herkenning soms niet direct plaatsvindt. De ziekte van Weil is een acuut ziektebeeld met plotselinge koorts van 39- 40įC, koude rillingen, buikpijn, braken en spierpijn, vooral in de kuitspieren. Diverse andere symptomen en complicaties kunnen optreden. Zonder adequate ondersteunende behandeling, kan de ziekte in 20 tot 50% van de gevallen tot de dood leiden.

Top

Prevalentie in honden

Bij de Faculteit Diergeneeskunde wordt bij gemiddeld 10 honden per jaar leptospirose gediagnostiseerd. De werkelijke incidentie ligt waarschijnlijk veel hoger, maar is niet betrouwbaar te schatten, omdat er meestal geen diagnostiek plaatsvindt bij een verdenking op leptospirose. Voor Nederland zijn dan ook geen betrouwbare gegevens bekend over het voorkomen van de verschillende varianten leptospiren bij honden. In BelgiŽ en Duitsland zijn in de periode 2002-2011 verschillende onderzoeken gedaan naar antistoffen in verdachte honden. De prevalentie van antistoffen tegen leptospiren varieerde van 11 tot 57%. De meest voorkomende varianten waren Australis, Grippotyphosa, Pomona en Icterohaemorrhagiaeae. Er is geen reden om aan te nemen dat dit in Nederland anders zal liggen. Het aantal infecties opgelopen in het buitenland, met vaak exotische varianten en Ďbijzondereí ziektebeelden is mede door de toename van avontuurlijke vakanties toegenomen. Ook het aantal autochtone infecties in landen in Europa, (inclusief Nederland) is de laatste jaren toegenomen, mogelijk als gevolg van warmere en nattere klimatologische omstandigheden.

Prevalentie in mensen

Per jaar worden er ca. 30 humane gevallen van leptospirose gemeld. De meest voorkomende varianten in de periode 2008 -2012 waren Icterohaemorrhagiae en Grippotyphosa. Meer dan de helft van de leptospiren-infecties zijn opgelopen in het buitenland. Het percentage van binnenlandse infecties die beroepsmatig zijn opgelopen schommelt tussen de 30 en 70%. Bij de risicoberoepen gaat het onder meer om rioolwerkers, tuinders, veehouders, landbouwers, bouwvakkers en militairen. Humane infecties ten gevolge van contact met geÔnfecteerde honden wordt als zeer uitzonderlijk beschouwd hetgeen ook blijkt uit het feit dat bij gezelschapsdierenartsen of Ėverzorgers leptospirose bijna niet voorkomt.

Top

Vaccinatie bij honden

Sinds ruim 50 jaar zijn er voor honden vaccins tegen leptospirose verkrijgbaar. Voor een goede immuniteit dient jaarlijks gevaccineerd te worden. Aangezien er tussen de verschillende bacterie-varianten geen of weinig kruisimmuniteit bestaat, zijn gevaccineerde honden alleen beschermd tegen infecties met varianten die in het vaccin zitten. De traditionele vaccins (de zogenaamde L2) bieden immuniteit tegen de varianten Canicola en Icterohaemorrhagiae. Studies in BelgiŽ en Duitsland tonen echter aan dat deze bacterie-soorten nog maar verantwoordelijk zijn voor circa 10% van de besmettingen. Recent is ook een breder vaccin met 4 varianten (Canicola, Icterohaemorrhagiae, Australis en Grippotyphosa) beschikbaar gekomen (de zogenaamde L4), waarin twee nieuwere soorten toegevoegd zijn, die juist veel vaker voorkomen (bijna 60%). Het nieuwe vaccin moet wel eenmalig herhaald worden na 3 tot 4 weken. Een jaar later wordt de hond weer gewoon ingeŽnt, dus zonder een herhalingsenting na 3 tot 4 weken. Als de eerste keer de vaccinatie niet herhaald wordt, heeft de hond nog steeds dezelfde bescherming tegen de 2 oudere bacterie-soorten, maar niet tegen de nieuwe varianten.

Top

Specifieke overbrengers

Ratten, vooral de bruine rat (Rattus norvegicus), zijn het reservoir voor de bacterie-varianten Icterohaemorrhagiae en Copenhageni. Veldmuizen (Microtus arvalis) en muskusratten (Ondatra zibethicus) zijn het belangrijkste reservoir van de variant Grippotyphosa. Natuurlijk dragerschap bij huis- en nuts-dieren is vooral bekend bij honden (reservoir voor serovar Canicola), runderen (belangrijkste reservoir voor de variant Hardjo), varkens, paarden evenals geiten en schapen (reservoir voor o.a. de variant Bratislava).

Top

Behandeling

Iedere hond met acuut nierfalen, al dan niet in combinatie met icterus, moet beschouwd worden als mogelijk leptospirose geval. Ook gevaccineerde honden kunnen nog steeds leptospirose ontwikkelen als ze geÔnfecteerd raken met een variant waartegen het vaccin geen bescherming biedt. Een verdenking van leptospirose bij de hond kan bevestigd worden door serum te laten onderzoeken op aanwezigheid van antistoffen. Vaak zijn honden ernstig ziek en is direct behandelen noodzakelijk. Behandeling bestaat uit antibioticumtherapie, vaak in combinatie met ondersteunende maatregelen. Omdat de urine van de hond tot 12 uur na de start van de antibioticumtherapie nog levende leptospiren kan bevatten, is het belangrijk tot die tijd hygiŽnemaatregelen te nemen; leptospiren zijn gevoelig voor reinigingsmiddelen en desinfectantia.

Top

Bijwerkingen

In de loop der jaren is duidelijk geworden dat vaccinaties niet alleen maar voordelen hebben. Ze kunnen ook mogelijke andere gezondheidsrisicoís met zich mee brengen doordat het immuunsysteem herhaaldelijk op onnatuurlijke wijze wordt geactiveerd en als gevolg van de chemische dragerstoffen die in vaccins gebruikt worden. Meestal zijn schadelijke gevolgen pas merkbaar op de langere termijn zoals de ontwikkeling van auto-immuunziekten, allergieŽn, en kanker. Soms zijn de reacties sneller te zien: diarree, braken, anafylactisch shock, toevallen of koorts. Tot een aantal jaren geleden was het normaal om honden elk jaar te vaccineren. Het geadviseerde vaccinatiebeleid is de afgelopen jaren veranderd. Voor diverse vaccinaties is wetenschappelijk bewezen dat de gemiddelde hond zoín drie jaar lang de benodigde afweerstoffen heeft en vaak zelfs langer. Dit kan vaak getest worden met behulp van een titer-bepaling. Dit geldt helaas niet voor de enting tegen Leptospirose, die slechts 1 jaar bescherming biedt en waarvoor geen titerbepaling bestaat. De recent geÔntroduceerde nieuwe enting L4 heeft tot veel verhalen geleid van honden die ernstige bijwerkingen hadden. In hoeverre deze bijwerkingen altijd direct te herleiden zijn tot de enting is bij dergelijke verhalen moeilijk aan te geven. Entingen worden vaak in combinatie met andere entingen gegeven of aan honden die niet optimaal gezond zijn. Verder zullen er altijd honden zijn die slecht reageren op een nieuwe enting. Het aantal negatieve meldingen over de L4 is echter vrij hoog. Het kan dus geen kwaad om enige zorgvuldigheid te betrachten rondom de L4-Leptospirose enting. Er zijn een aantal richtlijnen die ertoe kunnen bijdragen om de bijwerkingen tot een minimum te beperken:

Vooral bij honden die een verminderde weerstand hebben of honden die in het verleden heftige entreacties gehad hebben, is het verstandig om zeer zorgvuldig om te gaan met entingen en het moment van enten. In een aantal gevallen kan in overleg met de dierenarts of specialist besloten worden om af te zien van enten. Gelukkig zijn er veel Belgische herders die geen nadelige gevolgen ondervinden van de entingen. Zij zullen dit dan in de toekomst meestal ook niet hebben (mits gezond op het moment van enten). Enten blijft in die gevallen dan nog steeds een goede manier om je hond tegen een ernstige ziekte te beschermen.

Bronnen:

Top

Laatst gewijzigd op:

Deze pagina is onderdeel van de Hondenvraagbaak