Wel of niet enten?

Inhoud:

Bijwerkingen entingen

Entstoffen zijn bedoeld om het dier te beschermen tegen een aantal zeer gevaarlijke virusziekten. Dat dit een succesvolle methode is blijkt wel uit het feit dat deze ziekten de laatste decennia bijna niet meer voorkomen. Helaas hebben entingen niet alleen positieve effecten. Er kunnen ook entreacties ontstaan, die in enkele gevallen zelfs erger zijn dan de kwaal!

Er bestaan twee soorten entstoffen: dode of levende. Dood virus kan zich niet meer vermenigvuldigen en dus ook geen ziekte meer veroorzaken. Levende entstof bestaat uit een verzwakt virus dat zich niet of nauwelijks kan voortplanten. Het gevaar van deze levende entstof is, dat het bij dieren met een zwakke weerstand toch tot ziekten kan leiden en zelfs tot verspreiding van het virus. Bij dode entstof is dit niet het geval. Daarbij is veel meer het probleem van de zogenaamde adjuvantia, stoffen die zijn toegevoegd om het lichaam te prikkelen tot een reactie op de enting. Deze stoffen kunnen bijwerkingen hebben, die varieren van diarree tot tumoren.

Niet alle entingen geven even sterke entreacties. Dit kan afhangen van soort enting, fabriknt, weerstand van het dier en waarschijnlijk nog enkele factoren die nog onbekend zijn. Sommige entingen geven bij een bepaald dier steeds eenzelfde bijwerking, maar dat hoeft niet altijd zo te zijn. Een enting kan steeds probleemloos gegeven zijn en ineens een bijwwerkng geven.

Welke bijwerkingen zijn er van entingen bekend:

Top

Wanneer zeker niet enten

Het enten van een dier mag nooit gebeuren onder de volgende omstandigheden:

Top

Minder enten

Entingen blijken veel langer te werken dan voorheen werd aangenomen. Voor een aantal entstoffen is nu reeds geregistreerd dat ze 3 jaar werken, maar het is vrij zeker dat ze nog langer werken. Er kan dus met veel minder entigen volstaan worden dan nu wordt gegeven. Een aantal dierenartsen adviseert daarom om alleen te enten als het nodig is en voor die ziekten die levensbedreigend zijn. Kennelhoest is bijvoorbeeld niet levensbedreigend en kan in hun visie daaarom beter worden overgeslagen. De risico's zouden groter zijn dan de voordelen.

Er zijn een aantal richtlijnen die gelden bij het minder enten van honden:

Top

Titeren

Een andere optie om overmatig en overbodig enten tegen te gaan is het titeren. De dierenarts neemt dan een beetje bloed van de hond en bepaalt daarin de antistoffen tegen Hondenziekte, Parvo en HCC. Indien de antistoffen nog genoeg aanwezig zijn, is enten overbodig en zelfs niet werkzaam. Dierenartsen die veel ervaring hebben met titeren, kunnen zelfs op basis van de uitslag aangeven hoeveel jaar de hond de hond beschermd is. Na deze periode kan dan opnieuw getiterd worden. Zijn de antistoffen dan nog steeds hoog genoeg, dan is enten wederom niet nodig.

De uitslag van het titeren bestaat uit een staafje met gekleurde stippen. Deze dient de dierenarts in het entingsboekje te plakken. De gekleurde stippen zijn vergeleken met een kleurstaal. De dierenarts dient het nummer van dezelfde kleur op de kleurstaal te vermelden in het entingenboekje (zie foto voor voorbeeld). Dit geeft immers de mate van bescherming aan: hoe donkerder de kleur, hoe meer antistoffen nog aanwezig waren.

Titeren is niet voor alle entingen mogelijk. Voor de ziekte van Weil is geen titerbepaling voorhanden. Doordat dit geen virus, maar een bacterie betreft, is de enting minder lang werkzaam en dient elk jaar herhaald te worden (zie verder Leptospirose). Voor RabiŽs is ook geen titerbepaling voorhanden; deze wordt niet als geldig entingsbewijs erkend. Als men naar het buitenland gaat, dient men dus een geldige enting te hebben.

Top

Laatst gewijzigd op:

Deze pagina is onderdeel van de Hondenvraagbaak