Cryptorchidie

Inhoud

Auteurs: Ed.J.Gubbels en Janneke Scholten,
Genetic Counselling Services.
(Bron : De Hondenwereld, Jrg. 64 (12), december 2009)

Top

Cryptorchidie, een bijzondere erfelijke afwijking

Cryptorchidie, het niet ingedaald zijn van één of beide testikels, is een erfelijke afwijking die bij veel soorten zoogdieren voorkomt. Ook bij de diersoort hond komt de afwijking voor, bij alle hondenrassen.

In de embryonale fase worden de geslachtsklieren in de buikholte in de buurt van de nieren aangelegd waarna ze bij het mannelijk dier migreren en uiteindelijk ‘buiten het lichaam’ in de balzak, het scrotum, terecht komen. Bij vrouwelijke dieren blijven de geslachtsklieren, de eierstokken, gedurende het hele leven op de plek waar ze werden aangelegd.
Door sommigen wordt onderscheid gemaakt tussen éénzijdige cryptorchidie, vaak monorchidie genoemd, en tweezijdige cryptorchidie. Soms wordt daarbij verondersteld dat het om verschillende afwijkingen zou gaan. In de literatuur vinden we ook een enkele melding dat de plek waar de indalende testikels in de buikholte blijven steken van belang zou zijn. Ook daarbij wordt gesuggereerd dat er erfelijk verschillende vormen van cryptorchidie zouden bestaan.
Uit de resultaten van onderzoek bij twaalf rassen met in totaal 11.230 nesten lijkt de conclusie gerechtvaardigd dat er sprake is van slechts één (major) genenpaar dat verantwoordelijk is voor het ontstaan van cryptorchidie, en dat alle variatie in de expressie van de afwijking veroorzaakt wordt door modificerende genen en door milieu-omstandigheden.

Top

Erfelijkheid en selectie

Er is dus sprake van slechts één genenpaar dat bepaalt of het dier ‘gezond’ of ‘afwijkend’ is. We duiden het ‘gezonde’ gen aan met hoofdletters (CR) en het gen dat de afwijking veroorzaakt met kleine letters (cr). Cryptorchidie vererft autosomaal recessief. Dat betekent dat de dieren vrij (CR CR), drager (CR cr) of lijder (cr cr) kunnen zijn. In principe is de wijze van vererving eenvoudig want er zijn maar zes verschillende oudercombinaties mogelijk (zie tabel).

Tabel: Paringscombinaties
Ouders Nakomelingen
Vrij Drager Lijder
1. CR CR x CR CR
(vrij x vrij)
100% CR CR    
2. CR CR x CR cr
(vrij x drager)
50% CR CR 50% CR cr  
3. CR CR x cr cr
(vrij x lijder)
  100% CR cr  
4. CR cr x CR cr
(drager x drager)
25% CR CR 50% CR cr 25% cr cr
5. CR cr x cr cr
(drager x lijder)
  50% CR cr 50% cr cr
6. cr cr x cr cr
(lijder x lijder)
    100% cr cr

Top

Gecompliceerd

Een probleem bij cryptorchidie is dat het om een zogenaamd ‘sex-limited’ kenmerk gaat, vrouwelijke dieren kunnen ‘genotypisch cryptorchide’ zijn, echter ze laten de afwijking niet zien in hun fenotype. Dat maakt de selectie tegen de afwijking gecompliceerd. We hebben de handicap dat vrouwelijke dieren, behalve drager, ook lijder kunnen zijn, zonder dat wij dat in hun fenotype merken. En daarmee sluiten we niet alleen slechts de helft van de lijders uit van de fokkerij (alleen de mannelijke lijders), we produceren ook nog eens extra dragers en lijders doordat onbedoeld vrouwelijke lijders voor de fokkerij ingezet kunnen worden.

Top

Risico inschatten

Indien één van de ouders drager is (CR cr), wordt de helft van de nakomelingen weer drager (de regels 2, 4 en 5 in de tabel). Indien één van de ouders een erfelijke lijder is (cr cr), dan wordt de belasting van de nakomelingen nog groter (de regels 3, 5 en 6 in de tabel). Het zou dus zomaar kunnen gebeuren dat alle nakomelingen cryptorchide worden nadat een fokker een cryptorchide vader inzet en de pech heeft dat de moeder ook erfelijk cryptorchide is.
Vrouwelijke fokdieren vormen het knelpunt in de selectie tegen cryptorchidie omdat we de lijders niet kunnen herkennen. We kunnen hooguit de risico’s inschatten op basis van hun verwanten. Een vrouwelijk dier dat een cryptorchide volle broer heeft, heeft een kans van minimaal 75 procent om zelf drager òf lijder te zijn. Hoe groot die kans is, hangt af van de oudercombinatie waaruit zij werd geboren (de regels 4 tot en met 6 in de tabel). Over de erfelijke aanleg van de moeder hebben we vrijwel nooit enige zekerheid maar die is in ieder geval drager of ‘lijder’. Als de omvang van het ras, van de genenpool, dat toelaat, is het aan te bevelen volle zusters van cryptorchide reuen uit te sluiten van de fokkerij.

Top

Mannenoverschot, vrouwentekort

Al meer dan veertig jaar geleden werd bij honden vastgesteld dat er in de nesten waarin cryptorchide reuen voorkomen, sprake is van een ‘mannenoverschot’ dan wel een ‘vrouwentekort’. Waar dit door werd veroorzaakt, was onbekend. Er waren alleen maar theorieën.
Sommigen veronderstelden dat de ‘cryptorchide teven’ in een vroeg-embryonaal stadium zouden sterven, de afwijking zou letaal zijn voor vrouwelijke lijders. Als dit zo zou zijn, dan zou dat consequenties moeten hebben voor de nestgrootte. De nesten waarin cryptorchide reuen werden geboren, zouden dan gemiddeld kleiner moeten zijn dan de overige nesten.
Een andere veronderstelling was, dat de cryptorchide reuen mogelijk vrouwelijke dieren zijn die ergens in de vroegste fase van hun ontwikkeling zijn ‘ontspoord’. Daardoor zouden ze een mannelijk fenotype zijn gaan ontwikkelen. Als dat zo zou zijn, dan zouden nesten waarin cryptorchide reuen geboren werden, gemiddeld ongeveer even groot moeten zijn als de overige nesten.
Bij beide veronderstellingen waren al kritische kanttekeningen te plaatsen op grond van de resultaten van eerder onderzoek. Beide theorieën kònden niet waar zijn, zoveel was bekend.

Top

Onderzoek

Om zicht te krijgen op de wijze van vererving, en met name ook op de relaties tussen de genotypen en de bijbehorende fenotypen, werd een grootschalig onderzoek uitgevoerd. Bij twaalf hondenrassen werden de gespeende aantallen van in totaal 11.230 nesten geanalyseerd. In de totale groep van 26.547 reuen en 26.246 teven werden 405 cryptorchide reuen gevonden. Hun ouders werden aangemerkt als ‘dragers’ en vervolgens werden alle nesten uit twee ‘dragers’, totaal 619 nesten, vergeleken met de overige nesten.

Verrassende uitkomst

De meest verrassende uitkomst van dit onderzoek was dat de nesten uit twee ‘dragers’ gemiddeld meer dan een halve pup groter waren dan de overige nesten, meer dan 10% procent. Dat verschil werd vooral veroorzaakt door een gemiddeld groter aantal reuen per nest. Dit grotere aantal reuen gaat samen met heel beperkte afname van het aantal teven in die nesten. Het lijkt redelijk om te veronderstellen dat die teven tijdens de dracht verloren zijn gegaan door de toegenomen onderlinge concurrentie in de baarmoeder en mogelijk ook tijdens de zoogperiode in de grotere nesten.
Kennelijk hebben nesten (pups) uit twee ‘dragers’ een selectief voordeel. Anders geformuleerd: als we niet zouden selecteren tegen cryptorchidie, zou de afwijking een steeds grotere verspreiding krijgen in de populatie. De combinaties tussen twee dragers leveren een relatief grotere bijdrage aan de genenpool van de volgende generatie dan de overige combinaties. Er is dus blijkbaar ‘iets’, een nog onbekend mechanisme, dat de vitaliteit van nakomelingen van twee dragers positief beïnvloedt. Dit selectieve voordeel wordt maar beperkt teniet gedaan door de steriliteit van de tweezijdig cryptorchide reuen, de eenzijdig cryptorchide reuen zijn gewoon vruchtbaar.

Top

Selectie tegen cryptorchidie

Ondanks dat er al vele tientallen jaren wordt geselecteerd tegen cryptorchidie, blijkt het probleem hardnekkig en bijna onuitroeibaar te zijn in vrijwel alle rassen. Er zijn redenen om tegen de afwijking te selecteren. Naast dat cryptorchide reuen niet worden toegelaten op de shows, is een belangrijker reden dat de niet-ingedaalde testikels een verhoogde kans hebben op tumorvorming, met alle gevolgen van dien voor het welzijn van het dier.
De basis voor de relatief hoge percentages cryptorchidie bij een aantal rassen werd gelegd bij de vorming, het ontstaan, van de rassen en van de lijnen daarin. In het streven om met toepassing van inteelt kenmerken ‘vast te leggen’, werden ook minder gewenste kenmerken ‘vastgelegd’, of op z’n minst, in hun verspreiding bevorderd. De fokkers meenden dat ze dit soort nare bijeffecten van inteelt de baas konden blijven met selectie tegen de ongewenste kenmerken. Voor cryptorchidie, en daarnaast voor nog een indrukwekkende reeks van erfelijke afwijkingen, blijkt dat niet te lukken.

Grenzen van selectie

Bij de selectie tegen cryptorchidie hebben we inmiddels een beeld van waar we tegen onze grenzen aanlopen. Het probleem is dat we enerzijds de vrouwelijke lijders niet kunnen herkennen, en dus ook niet kunnen uitsluiten, en dat anderzijds de combinatie van dragers een selectief voordeel heeft waardoor de afwijking extra wordt verspreid. Dat selectieve voordeel is maar klein, maar levert een onmiskenbare bijdrage aan de overleving van de afwijking binnen de populatie.
Indien we tegen een afwijking selecteren door het uitsluiten van lijders, zal in de loop van de opeenvolgende generaties het percentage nieuw-geboren lijders afnemen. Dat geldt ook wanneer we slechts de helft van de lijders (kunnen) uitsluiten van de fokkerij. Dat het cryptorchidie-percentage gedurende vele generaties niet afnam bij nogal wat rassen en lijnen, kan voor een deel worden verklaard met het selectieve voordeel van dragercombinaties.
Er is echter meer aan de hand. Door de wijze van fokken, door het systematisch toepassen van inteelt in een te kleine genenpool, wordt de overmatige verspreiding van erfelijke afwijkingen bevorderd. Het percentage dragers in de populatie is een veelvoud van het percentage lijders (bij 1% lijders hebben we 18% dragers, bij 4% lijders zelfs 32% dragers). Bij de uitverkiezing van die ene super-ouder, die een fikse bijdrage mag leveren aan de genenpool van de volgende generatie, is de kans groot dat die toevallig drager is voor cryptorchidie. En daarna, in de combinaties met andere dragers, werkt dat selectieve voordeel in ons nadeel.
En voor zover het lot ons gunstig gezind is, en onze super-ouder is geen drager voor cryptorchidie, dan zal die vast wel drager zijn voor enkele andere van de honderden erfelijke afwijkingen die we bij onze rassen (gaan) tegenkomen. We moeten niet vergeten dat, letterlijk, elk dier drager is voor vele tientallen erfelijke afwijkingen.
Als we in ons ras erfelijke defecten zoals cryptorchidie willen terugdringen, dan zullen we, waar dat maar mogelijk is, lijders moeten uitsluiten van de fokkerij. Verder doet de fokker er verstandig aan om op zoek te gaan naar de meest onverwante partners voor zijn fokdieren. Daarmee heeft hij de beste kansen op pups zonder erfelijke problemen.

Top

Laatst gewijzigd op:

Deze pagina is onderdeel van de Hondenvraagbaak